Aansprakelijkheid tweedegraads bestuurder bij onrechtmatige daad

20 juni 2017

Een bestuurder van een rechtspersoon kan op meerdere grondslagen aansprakelijk zijn voor schade of schulden van de rechtspersoon. Één daarvan is de aansprakelijkheid jegens schuldeisers van de rechtspersoon wegens onrechtmatige daad (art. 6:162 BW). Bijvoorbeeld de bestuurder die namens de vennootschap heeft gehandeld, dan wel heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. Uit de rechtspraak volgt dat in het algemeen alleen dan mag worden aangenomen dat de bestuurder onrechtmatig heeft gehandeld wanneer hem, mede gelet op zijn wettelijke verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening (art. 2:9 BW), een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Maar wat nu indien de bestuurder van de rechtspersoon, zelf een rechtspersoon is?

Aansprakelijkheid van de rechtspersoon

De wet bepaalt voor die situatie dat de aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon tevens hoofdelijk rust op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is (art. 2:11 BW). Stel: Janssen Holding B.V. is statutair bestuurder van Werkmaatschappij Janssen B.V. De heer Janssen is op zijn beurt bestuurder van Janssen Holding B.V. Als Janssen Holding B.V. aansprakelijk is als bestuurder van Werkmaatschappij Janssen B.V., dan is de heer Janssen (naast Janssen Holding B.V.) hoofdelijk aansprakelijk als hij ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid bestuurder was van Janssen Holding B.V. De Hoge Raad heeft recent bevestigd dat dit ook geldt voor aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad.

Uitspraak Hoge Raad

De vraag was echter (tot voorkort) of in dit geval noodzakelijk is dat de schuldeiser stelt, en zo nodig bewijst, dat ook die tweedegraads bestuurder (i.c. de heer Janssen privé) persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. De Hoge Raad heeft recent bepaald dat die aanvullende eis niet geldt. Wel volgt volgens de Hoge Raad uit de aard van de bestuurdersaansprakelijkheid (op grond van onrechtmatige daad) dat een bestuurder die op die grond (art. 2:11 BW) wordt aangesproken, aansprakelijkheid alsnog kan voorkomen door te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat hem persoonlijk geen ernstig verwijt kan worden gemaakt van de gedragingen waarop de aansprakelijkheid van de rechtspersoon-bestuurder is gebaseerd. De bewijslast (en daarmee het bewijsrisico) ligt daarmee dus op de aangesproken tweedegraads bestuurder.

Conclusie

In de praktijk is niet altijd direct duidelijk op welke grondslag en in welke hoedanigheid een betrokken bestuurder wordt aangesproken. Het is belangrijk dit eerst vast te stellen. In de rechtspraak zijn voor verschillende wettelijk grondslagen namelijk maatstaven ontwikkeld. Ook de bewijspositie kan verschillen naar gelang de situatie. Zo gelden in faillissement bewijsvermoedens die de curator “tegemoet komen” bij het oordeel dat er sprake is van een kennelijk onbehoorlijke taakvervulling. Oplettendheid en zorgvuldigheid is geboden, zowel bij de schuldeiser, als bij de aangesproken bestuurder.

Wilt u meer informatie over bestuurdersaansprakelijkheid, neemt u dan contact op met: mr. M.J. (Maarten) Blommaert