De betaalafspraak om terug te betalen wanneer je kunt is boterzacht

27 januari 2017

U leent met de afspraak pas terug te betalen zodra u daartoe financieel in staat bent

U zat in geldnood. Niet getreurd. Uw broer leende u geld. Hij had zelf dat geld toch niet nodig. Bovendien was hij zo aardig om met u af te spreken dat u het pas hoeft terug te betalen zodra u daartoe financieel in staat zou zijn. Inmiddels bent u met uw broer gebrouilleerd. Terwijl u nog steeds op zwart zaad zit en er geen zicht op verandering is vraagt uw broer aan de rechter om toch een termijn te bepalen waarbinnen u dient terug te betalen. U vindt dat dit in strijd is met de afspraak. Zal de rechter die termijn desondanks toch bepalen?

De Hoge Raad staat toe dat u eerder moet terug betalen dan dat u financieel gezien kunt

Jazeker, aldus de Hoge Raad (30 september 2016 ECLI:NL:2016:2228 / JOR2016, 354). De redenering daarbij is dat het toch hoe dan ook de bedoeling zal zijn geweest dat de geldlener gedurende zijn leven moet terugbetalen. De Hoge Raad kwalificeert dat als “afspraak onder een opschortende tijdsbepaling”. Het feit dat dat u geen geld hebt is aldus geen reden om die termijn niet te bepalen, al zal het wel een reden kunnen zijn bij het bepalen van de lengte van de termijn. De termijn zou echter wel eerder kunnen aflopen dan het moment waarop u financieel tot terugbetaling in staat bent. Er kan dus een aardig misverstand ontstaan waardoor u als geldlener onaangenaam verrast kunt worden.

Hoe regelt u het om pas te hoeven terug te betalen als u daartoe ook financieel echt in staat bent?

Hoe had u het dan dienen te regelen? Het antwoord is simpel. Dat kan bijvoorbeeld door bovenop zo’n ‘pas-als-de-geldlener-daartoe-in-staat-is-bepaling’ expliciet vast te leggen dat:

  • de rechter niet de mogelijkheid heeft een termijn voor terugbetaling te bepalen en/of
  • het moment tot terugbetaling niet zal aanbreken als u als geldlener gedurende uw gehele leven niet tot terugbetaling in staat bent

De Hoge Raad ziet dat dan niet meer als een bepaling onder een opschortende tijdsbepaling maar als een bepaling onder een opschortende voorwaarde. De praktische uitkomst ervan is dat de partijbedoeling om pas terug te betalen als de geldlener daartoe middelen heeft, minder zwaar weegt dan de door de wet veronderstelde zwaarwegende partijbedoeling dat dat moment hoe dan ook toch een keer zal aanbreken gedurende het leven. Als u aan eerstgenoemde partijbedoeling doorslaggevende betekenis wilt hechten zult u dat dus nog explicieter dienen te bepalen. Dat vind ik zelf een beetje star gedacht van de Hoge Raad maar ja, daar moeten het wel mee doen.

Tot slot

Stel nu dat u het zo duidelijk regelt als de Hoge Raad voorschrijft. Uw regeling zou uitgelegd kunnen worden als een schenking, als vastgelegd dat u als geldlener nooit meer tot terugbetaling in staat bent. Hier loeren ook mogelijke fiscale consequenties. Even opletten dus.