Borgstelling. Wanneer moet echtgenoot meetekenen?

14 januari 2016

Een goede vriend van mij zit thuis behoorlijk onder de plak. Hij kan nog geen pilsje met mij gaan drinken zonder vooraf aan zijn vrouw te vragen of ze het goed vindt. Gelukkig is mijn vrouw niet zo moeilijk. Zolang het gaat om een pilsje althans…

Maar voor bepaalde rechtshandelingen ligt het anders. Daarbij is de toestemming van de echtgenoot (m/v) zelfs wettelijk vereist. Dat staat in artikel 1:88 BW. Zonder die toestemming kan de rechtshandeling achteraf (door de echtgenoot die geen toestemming heeft verleend) ongedaan gemaakt worden. Dat geldt voor overeenkomsten waarbij de echtelijke woning wordt verkocht of met hypotheek belast (of de huur ervan wordt opgezegd), voor bepaalde giften, voor koop op afbetaling én voor overeenkomsten waarbij iemand zich borg stelt of zich op een andere manier aansprakelijk stelt voor een schuld van een derde.

Bij die laatste categorie geldt het toestemmingsvereiste niet, als de overeenkomst is aangegaan door een bestuurder van een NV of BV, die daarvan alleen of met zijn medebestuurders de meerderheid van de aandelen heeft én de overeenkomst wordt gesloten ten behoeve van de “normale uitoefening van het bedrijf”.

Maar wanneer is nu precies sprake van normale uitoefening van het bedrijf? Daarover ging een recente uitspraak van de Hoge Raad.

De bestuurder van een BV (tevens meerderheidsaandeelhouder) had zich privé borg gesteld voor een overbruggingskrediet dat de BV van de bank kreeg, zonder dat de echtgenote toestemming had verleend. Het vervolg laat zich raden; de BV ging failliet, de bank sprak de bestuurder in privé aan op grond van de borgstelling, en de echtgenote vernietigde de borgtochtovereenkomst met een beroep op artikel 1:88 BW wegens het ontbreken van haar toestemming.

De bank vond echter dat die toestemming in dit geval niet nodig was. Het aangaan van het overbruggingskrediet behoorde volgens haar tot de normale uitoefening van het bedrijf, en viel zo onder de uitzonderingen waarbij geen toestemming vereist is. Rechtbank en Hof waren het met de bank eens. Het krediet was immers bedoeld om de onderneming in staat te stellen haar normale bedrijfsuitoefening voort te zetten.

Maar de Hoge Raad zet daar een streep door. Hij wijst erop dat artikel 1:88 BW de “gezinsbescherming” als doel heeft. Dat brengt mee dat de uitzondering terughoudend moet worden toegepast. Het gaat er niet om of door het overbruggingskrediet (waarvoor de borgstelling gold) de normale bedrijfsuitoefening kan worden voortgezet, maar of het aangaan van het overbruggingskrediet tot de normale bedrijfsuitoefening hoort. En dat is iets heel anders.

Het gevolg is dat de bank het nakijken heeft: de BV was al failliet en ze kan nu – door de vernietiging van de borgtochtovereenkomst – ook geen verhaal meer halen op de bestuurder.

Het geeft maar weer eens aan hoe belangrijk het is om steeds opnieuw bedacht te zijn op de toestemmingseis van artikel 1:88 BW en op de precieze werking van de uitzonderingsregel.

Nog een andere opmerking over deze bepaling. Er wordt nogal eens gedacht dat de toestemmingseis van artikel 1:88 BW niet zou gelden als de echtgenoten op huwelijkse voorwaarden getrouwd zijn. Dat is onjuist. De toestemming is nodig ongeacht het huwelijksvermogensregime (huwelijkse voorwaarden of gemeenschap van goederen).