De Wet DBA, begrijpt u het nog?

10 december 2016

Op 1 mei 2016 is de Verklaring Arbeidsrelatie (VAR) vervangen door de Wet Deregulering Arbeidsrelaties (Wet DBA). Het idee achter de Wet DBA is dat opdrachtgever en opdrachtnemer gezamenlijk moeten bepalen of er sprake is van een dienstbetrekking of niet, met alle gevolgen van dien voor de inhoudingsplicht van loonheffing. Kon de opdrachtgever in het verleden met een gerust hart vertrouwen op de VAR van de opdrachtnemer, dat kan onder de Wet DBA niet meer. Hij moet nu veel actiever aan de slag, en zelf beoordelen of een van de modelovereenkomsten van de Belastingdienst toegepast moet worden. Inmiddels is er zoveel commotie over de nieuwe wet ontstaan, dat de Minister van Financiën een time-out heeft ingelast. Maar ook daarmee is het er niet duidelijker op geworden.

Geen uitstel van de Wet DBA, alleen van de beoordeling

Er wordt gemakkelijk gezegd dat de Wet DBA is uitgesteld, maar dat is niet juist. De wet is ingevoerd en hij is ook nog steeds van kracht. Het enige dat is uitgesteld, is de actieve handhaving van de nieuwe regels. Dat komt doordat de Belastingdienst sinds de invoering op 1 mei 2016 al een enorme achterstand heeft opgelopen bij het beoordelen van voorgelegde contracten. Daardoor moet er in de praktijk zo lang gewacht worden op uitsluitsel, dat de onzekerheid voor de partijen onacceptabel is geworden. Daarom heeft de regering besloten dat het nieuwe stelsel voorlopig (tot 2018) niet gehandhaafd zal worden. Er kunnen wel beoordelingen van voorgelegde contracten plaatsvinden, maar daar worden dit jaar (nog) geen gevolgen aan verbonden.

Misbruik wordt ook nu nog steeds gestraft

Daarbij is een waarschuwing wel op z’n plaats. Als er overduidelijk misbruik wordt gemaakt van de opgeschorte handhaving, kan er toch een boete of naheffing opgelegd worden. Opdrachtnemers en (vooral) opdrachtgevers moeten zelf kritisch blijven nadenken en zorgen dat ze de juiste overeenkomst aangaan.

Verschil tussen fiscale en civielrechtelijke aspecten

De VAR richtte zich vooral op de fiscale aspecten van de relatie tussen opdrachtgever en opdrachtnemer. Had de opdrachtnemer een VAR, dan was de opdrachtgever in fiscaal opzicht gevrijwaard. Dat gold strikt genomen niet in arbeidsrechtelijk opzicht. In theorie kon de opdrachtnemer nog steeds stellen dat er eigenlijk sprake was van een dienstbetrekking, en zo proberen ontslagbescherming te creëren. Maar in de praktijk was het gebruik door de opdrachtnemer van een VAR voor rechters ook in de civielrechtelijke verhouding tussen de partijen een sterke aanwijzing dat er geen arbeidsovereenkomst was. Dat was met de invoering van de Wet DBA al een stuk minder duidelijk geworden. En met het uitstellen van de handhaving van de nieuwe wet is de onduidelijkheid ook op dit punt verder toegenomen.

Wat is nu de beste aanpak?

Veel bedrijven gaan in de huidige onzekere situatie geen contracten aan met ZZP-ers en andere kleine zelfstandige ondernemers. Om het risico op brokken achteraf te mijden, wijkt men uit naar uitzend- en payrollbedrijven. Dat is weliswaar vaak een stuk duurder, maar ook een heel stuk zekerder. Daarmee is de nieuwe regeling nu al z’n doel volledig voorbijgeschoten. De ZZP-ers komen van de regen in de drup.

Het beste devies is nog steeds om vooraf een goede beoordeling te maken van de relatie die u als opdrachtgever met een opdrachtnemer aangaat, zonodig met deskundige begeleiding. En daar een op de situatie toegesneden overeenkomst voor op te stellen. Als daarbij de inhoud van de overeenkomst overeenkomt met de manier waarop er in de praktijk gewerkt wordt, heeft u het risico geminimaliseerd op correcties achteraf.