Duur foutje in de bankgarantie

08 november 2016

In de zakelijke praktijk geldt een bankgarantie als een praktisch en sterk zekerheidsinstrument. Deze vorm van zekerheid wordt dan ook in tal van situaties toegepast. Omdat een bankgarantie gebaseerd is op een overeenkomst, komt het aan op een goede formulering van de onderliggende afspraken. Daarbij kan een klein foutje al grote gevolgen hebben, zoals in een recente uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant.

Wat is een bankgarantie?

Het begrip bankgarantie is niet wettelijk gedefinieerd. Het komt er dus steeds op aan dat de partijen die afspraken maken over een bankgarantie, die afspraken helder verwoorden en op papier zetten. Bij een bankgarantie zijn degene die zekerheid moet stellen (‘debiteur’), degene die zekerheid verlangt (‘begunstigde’) en de bank betrokken. De debiteur geeft aan zijn bank opdracht om een garantie te stellen aan de begunstigde. Bijvoorbeeld als zekerheid bij een huurovereenkomst. Betaalt de huurder (debiteur) de huur niet aan de verhuurder (begunstigde), dan moet de bank op eerste verzoek van de verhuurder het gegarandeerde bedrag betalen.

Zorgvuldige formulering bankgarantie is essentieel

Voor de begunstigde heeft dat twee belangrijke voordelen. De bank is goed voor haar geld, bij de debiteur moet hij dat maar afwachten. Bovendien hoeft hij niet eerst een discussie te voeren over zijn vordering op de debiteur, maar moet de bank op eerste verzoek uitbetalen. Het motto bij een bankgarantie is dus ‘eerst betalen dan praten’. De verplichting van de bank is als het ware geabstraheerd van de onderliggende rechtsverhouding tussen begunstigde en debiteur. Daarom wordt ook wel gesproken over een ‘abstracte bankgarantie’. Juist vanwege die ontkoppeling met de onderliggende afspraken tussen begunstigde en debiteur is een zorgvuldige formulering van de bankgarantie essentieel.

Praktijkvoorbeeld: bankgarantie aan verkeerde vennootschap verleend

In het geval waarover de Rechtbank Oost-Brabant moest oordelen, ging het in die formulering voor de begunstigde fout. In het kader van een huurovereenkomst had de Rabobank op verzoek van de huurder (de debiteur) een bankgarantie gesteld ter hoogte van drie maanden huur. Als begunstigde was in de bankgarantie echter niet de verhuurder vermeld (een BV), maar de moedervennootschap van de verhuurder. Toen de huurder de huur niet betaalde, beriep de moedervennootschap zich op de bankgarantie. De huurder maakte daarop bezwaar tegen de gevraagde uitbetaling aan de moedervennootschap, omdat die niet de verhuurder was, en verzocht de bank om niet uit te keren.

Daarop vorderde de moedervennootschap in een juridische procedure veroordeling van de bank tot uitbetaling van de bankgarantie. De rechtbank wees de vordering echter af. Weliswaar mag bij een abstracte bankgarantie de betaling niet worden tegengehouden op argumenten die ontleend zijn aan de onderliggende rechtsverhouding tussen begunstigde en debiteur, maar er moet wel een rechtsverhouding tussen die twee bestaan, zo oordeelde de rechtbank. En in dit geval bestond die rechtsverhouding niet. De huurder had immers geen huurovereenkomst met de begunstigde (de moedervennootschap), maar met haar dochtervennootschap. Die laatste was wel verhuurder, maar niet de begunstigde in de bankgarantie. De nauwe band tussen moeder- en dochtervennootschap maakte dat volgens de rechtbank niet anders.

Een dure fout dus aan verhuurderskant. Zeker omdat de huurder kort erop ook nog failliet ging. Door een verkeerde vermelding in de bankgarantie had de verhuurder hier het nakijken. Meer zorgvuldigheid bij het opstellen van de bankgarantie had dat kunnen voorkomen.