Handtekening echtgenoot bij borgstelling nodig?

29 augustus 2017

De regel dat voor borgstellingen de toestemming van de andere echtgenoot vereist is, leidt regelmatig tot bloopers. Hier volgt een korte bespreking aan de hand van een recent voorbeeld uit de praktijk.

Het is vaste praktijk dat banken en andere financiers bij het verstrekken van financieringen zekerheden verlangen. Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om een borgstelling door de privépersoon achter de vennootschap die het krediet ontvangt.

Voor zo’n borgstelling gelden wettelijke regels. Eén daarvan is dat een echtgenoot die zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, toestemming van de andere echtgenoot nodig heeft (artikel 1:88 BW). Zonder die toestemming kan de andere echtgenoot de borgstelling achteraf vernietigen. In dat geval vervalt de borgstelling en kan de financier zich niet op de borg verhalen.

Toestemmingsvereiste

Het toestemmingsvereiste geldt niet als de borgstelling is verleend in de ‘normale uitoefening van het beroep of bedrijf’ van de borg. Ook is de toestemming van de echtgenoot niet vereist als de borgstelling wordt gegeven door een bestuurder/meerderheidsaandeelhouder van een NV of BV ten behoeve van de normale bedrijfsuitoefening van die vennootschap.

Of dat laatste het geval is, is regelmatig onderwerp van geschil. Zo ook in deze recente uitspraak van de Rechtbank Den Haag. In die zaak had de enig aandeelhouder/bestuurder van een BV zich borg gesteld voor een lening die door een ‘bevriende’ relatie (niet een bank) aan de BV was verstrekt. Toen de BV de lening niet kon terugbetalen, sprak de financier de borg aan. De echtgenoot van de borg riep echter de ongeldigheid in, omdat zij geen toestemming had verleend voor de borgstelling. Ten onrechte volgens de financier, omdat de borgstelling zou zijn verstrekt ten behoeve van de normale bedrijfsuitoefening van de BV. Daarom was volgens hem geen toestemming van de echtgenote nodig en moest de borg de schuld van de BV gewoon betalen.

Oordeel rechtbank

Maar de rechtbank oordeelde daar anders over. De situatie dat geen toestemming van de echtgenoot vereist is, is een uitzondering op de hoofdregel en moet daarom volgens de rechtbank beperkt worden uitgelegd. In dit geval was volgens de rechtbank geen sprake van zo’n uitzonderingssituatie. Men vond daarbij met name de voorwaarden van de financiering van belang. Er was een ongebruikelijk hoge rente afgesproken van 20% over de looptijd (van 18 maanden) en de financier had een optie op de aandelen in de BV bedongen. Daarmee verschilde de lening volgens de rechtbank nogal van een ‘gewoon bankkrediet’. De echtgenoot had wel toestemming moeten geven voor de borgstelling. Nu dat niet was gebeurd, kon de borgstelling worden vernietigd. De financier had daardoor het nakijken.

Conclusie

Voor kredietverstrekkers blijft het van belang om zorgvuldig te beoordelen of het toestemmingsvereiste in een bepaalde situatie van toepassing is. Het ontbreken van de toestemming voor kredietnemers kan anders achteraf nog wel eens een (onverwachte en onbedoelde) escape voor de kredietnemer bieden. Bij twijfel is het verstandig om toestemming van de echtgenoot te verlangen. Of nog beter, vooraf even met FALCQ bellen.