Hoeveel mogen handelsnamen op elkaar lijken?

01 mei 2018

Het komt vaak voor dat twee ondernemingen in conflict komen omdat ze dezelfde (of bijna dezelfde) handelsnamen voeren. Dat is niet zo vreemd, als je bedenkt dat Nederland ruim 1,8 miljoen ondernemingen telt (bron: Kamer van Koophandel)

Hoe zit het in zo’n geval? Wie staat er in zijn recht? In deze blog ga ik daar op in, naar aanleiding van een recente uitspraak.

De wettelijke regeling

Volgens artikel 5 van de Handelsnaamwet is het verboden om een handelsnaam te voeren die daarvóór al door een andere onderneming gevoerd wordt, of die daarvan maar zo weinig afwijkt dat daardoor verwarring dreigt te ontstaan tussen de beide ondernemingen. Daaruit blijkt dat de oudste van beide handelsnamen de sterkste rechten heeft. Bij een conflict moet de rechter steeds op basis van de concrete omstandigheden beslissen of er sprake is van verwarringsgevaar. Daarbij moet hij zich verplaatsen in ‘het publiek’. De vraag is dus of ‘het publiek’ in verwarring kan raken door de gelijkenis tussen de handelsnamen.

AddComm versus Appcomm

De Rechtbank Amsterdam moest onlangs oordelen over een geschil tussen AddComm en Appcomm.

Beide bedrijven houden zich bezig met (online) marketingdiensten en het ontwikkelen van apps. AddComm vindt dat Appcomm inbreuk maakt op haar (oudere) handelsnaam en dat daardoor verwarringsgevaar bij het publiek ontstaat. Daarom vordert AddComm in kort geding dat het Appcomm verboden wordt om inbreuk te maken op haar handelsnaam. Ook zou Appcomm moeten afzien van de domeinnaam appcomm.nl.

De rechtbank oordeelde allereerst dat beide handelsnamen sterk op elkaar lijken, zowel visueel als auditief. Bovendien gaat het bij beide om samengestelde namen, die qua betekenis (begripsmatig) ook gelijkenis vertonen.

Vervolgens beoordeelde de rechtbank het dienstenpakket van de beide bedrijven. Daaruit bleek dat het dienstenpalet van AddComm meer omvat dan dat van Appcomm. Die laatste maakt alleen maatwerk-apps, en dat geldt niet voor AddComm. Al met al oordeelde de rechtbank dat er sprake was van een gedeeltelijke overlap in de marktsegmenten waarop beide partijen actief zijn.

Daarna ging de rechtbank in op het begrip ‘het publiek’. In dit geval gaat het volgens de rechtbank om zakelijke klanten, die scherper opletten op verschillen tussen de handelsnamen dan wanneer het om consumenten zou gaan.

Al met al oordeelde de rechtbank dat er onder deze omstandigheden in geringe mate verwarringsgevaar te duchten is, “maar niet iedere graad van verwarring rechtvaardigt een gebod tot naamswijziging.” Om die reden wordt de vordering van AddComm afgewezen.

Het lijkt erop dat het hier een dubbeltje op zijn kant was. Dat blijkt bij de beslissing over de proceskosten. Normaal gesproken wordt de verliezende partij (AddComm dus) in de proceskosten van de andere partij veroordeeld. Maar in dit geval bepaalde de rechtbank dat iedere partij haar eigen kosten moest dragen. Als overweging daarvoor noemde de rechtbank dat “de gevraagde voorzieningen weliswaar worden geweigerd, maar AddComm in haar stellingen wel gedeeltelijk wordt gevolgd”.

Conclusie

Niet elk verwarringsgevaar is voldoende voor het toewijzen van een verbodsvordering op grond van de Handelsnaamwet. De eisende partij moet dus een zekere drempel van verwarringsgevaar overschrijden voordat de rechter ingrijpt. De grenzen zijn niet scherp te trekken. Daarom is het verstandig om bij het kiezen van een handelsnaam onderzoek te doen naar gelijkende handelsnamen en bij twijfel deskundig advies in te winnen.