Kan een ontbonden buitenlandse vennootschap in Nederland failliet worden verklaard?

20 juli 2018

In een vorige maand, door het Gerechtshof Den Haag gewezen arrest, lag de vraag voor of een Engelse Limited in Nederland failliet kan worden verklaard. Deze Limited was door de Companies House in Engeland reeds ontbonden, waarmee vast stond dat zij naar Engels recht was opgehouden te bestaan. Van een vereffening was geen sprake. Het Hof oordeelde onder verwijzing naar de Europese Insolventieverordening dat deze vraag moest worden beoordeeld naar Nederlands recht. Het centrum van de voornaamste belangen van deze Engelse Limited lag in dit geval in Nederland.

Nederlands recht

Naar Nederlands recht is voor de faillietverklaring van een reeds ontbonden vennootschap noodzakelijk dat (1) summierlijk is gebleken van een vorderingsrecht van diegene die het faillissement aanvraagt en (2) summierlijk is gebleken van feiten en omstandigheden die voldoende aannemelijk maken dat er nog baten zijn.Aan de eerste voorwaarde was hier voldaan: de vordering van de aanvrager volgde uit een in kracht vangewijsde gegaan vonnis.

Ten aanzien van de tweede voorwaarde was dat minder duidelijk.Het Hof overweegt allereerst dat de desbetreffende Limited in Nederland is onderworpen aan de heffing van de vennootschapsbelasting. In dat geval geldt (op grond van art. 10:121 BW) dat de Nederlandse regeling inzake aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen in faillissement (art. 2:138 BW) eveneens kan worden toegepast op bestuurders van buitenlandse vennootschappen. Bovendien acht het Hof hier termen aanwezig voor een dergelijke vordering uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid. De boekhouding van de Limited leek niet te voldoen. Ook concludeerde de curator dat de aandelen op de faillissementsdatum niet waren volgestort.

Uitspraak van het Hof

Naar het oordeel van het Hof is dan ook voldoende aannemelijk dat er nog baten zijn. Die baten zouden in dit geval kunnen bestaan uit de vordering van de curator uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid en de vordering tot volstorting van de aandelen. Zodoende oordeelde het Hof dat de Limited in Nederland failliet kon worden verklaard, ondanks dat zij naar Engels recht reeds was opgehouden te bestaan.

Conclusie

Een kanttekening bij het voorgaande. In zijn algemeenheid geldt dat het voor een schuldeiser vaak lastigis om aan te tonen dat er nog (mogelijke) baten zijn. Het ontbeert een schuldeiser vaak aan informatie. Ik verwijs op dit punt naar een eerdere publicatie van mijn hand (TvI 2016/34, pag. 222).

Men kan zich afvragen of het enkele vermoeden van een vordering uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid op zichzelf reeds voldoende is voor de conclusie dat “summierlijk is gebleken van feiten en omstandigheden die voldoende aannemelijk maken dat er nog baten zijn”. In de praktijk moet immers nog maar blijken of de bestuurders voor een dergelijke vordering verhaal bieden.

Wilt u meer informatie over dit onderwerp, neemt u dan contact op met:

mr. M.J. (Maarten) Blommaert