Kwijting is geen kwijtschelding

03 juli 2018

In overeenkomsten kom je vaak de term ‘kwijting’ tegen. Meestal wordt daarmee bedoeld dat een partij aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan. Er staat dan bijvoorbeeld “Verkoper verleent aan koper kwijting voor de koopprijs”. Daarmee leggen partijen vast dat de koper de prijs aan de verkoper betaald heeft. Maar wat nu als er een vergissing is gemaakt? De verkoper ontdekt bijvoorbeeld later dat er per vergissing een te lage prijs is berekend. Kan hij dan ondanks de kwijting van de koper verlangen dat die het verschil nog bijbetaalt? Hierover ging een procedure die onlangs door de Hoge Raad is beslist.

De feiten

De ondernemingen Citadel en Bela sluiten met elkaar een overeenkomst. Bela koopt van Citadel aandelen in een dochter-BV van Citadel voor € 6,8 miljoen. Daarnaast heeft Bela ook bedragen van Citadel te vorderen wegens geldleningen. Er wordt afgesproken dat Bela het totaalbedrag van de geldleningen zal verrekenen met de koopprijs voor de aandelen. Citadel zet de van Bela geleende bedragen op een rij en geeft het totaalbedrag aan Bela door. In de notariële leveringsakte wordt het bedrag vermeld dat Bela als koopprijs na verrekening met de leningen moet betalen aan Citadel. Dat bedrag maakt Bela over op de rekening van de notaris, voor wie de leveringsakte passeert. In de leveringsakte wordt verder opgenomen dat ‘verkoper aan koper kwijting verleent voor de betaling van de koopprijs’.

Enige tijd later ontdekt Citadel dat zij zich bij het vaststellen van het leningbedrag heeft vergist. Het bedrag is per vergissing € 250.000 te hoog. Dat komt doordat Citadel een eerdere betaling die zij had ontvangen van Bela ten onrechte ook als geldlening had meegeteld. Als gevolg daarvan is er een te hoog bedrag aan leningen verrekend met de koopprijs voor de aandelen Daarmee heeft Citadel achteraf gezien € 250.000 te weinig betaald.

Citadel vraagt Bela om deze te weinig betaalde € 250.000 alsnog te betalen. Bela weigert. Ze beroept zich op de kwijtingsbepaling in de notariële akte. Daarin heeft Citadel volgens Bela immers verklaard dat Bela de volledige koopprijs heeft betaald. En daarmee heeft Citadel afstand gedaan van het recht om daarop terug te komen en later alsnog het ontbrekende stuk van de koopprijs te vorderen. Dat lijkt op het eerste gezicht niet zo’n vreemd standpunt. Wat heb je anders aan zo’n kwijtingsbepaling?

Citadel start vervolgens een procedure waarin ze betaling van het te weinig betaalde bedrag vordert, vermeerderd met wettelijke rente.

De procedure

De rechtbank stelt Citadel in het gelijk en veroordeeld Bela tot betaling van het te weinig betaalde bedrag (met rente). De notariële akte (met het kwijtingsbeding) is volgens de rechtbank in beginsel dwingend bewijs dat de gehele koopprijs betaald is. Maar doordat Bela niet heeft bestreden dat er sprake is van een vergissing bij Citadel, waardoor er te weinig is betaald, is het tegenbewijs geleverd. Bela moet alsnog € 250.000 betalen, vermeerderd met rente.

In hoger beroep krijgt Bela van het gerechtshof alsnog gelijk. Volgens het gerechtshof heeft Citadel met de kwijtingsbepaling afstand gedaan van de vordering tot betaling van het ontbrekende deel van de koopsom.

Uiteindelijk moet de Hoge Raad eraan te pas komen. Voordat de Hoge Raad een beslissing neemt, gaat de advocaat-generaal in zijn conclusie in op het begrip kwijting. Een conclusie van de advocaat-generaal is een advies dat een geleerde jurist vóór elke uitspaak geeft aan de Hoge Raad. Kwijting heeft volgens de advocaat-generaal met name een bewijsfunctie, in het belang van de schuldenaar. Als de schuldeiser betwist dat er is betaald, moet de schuldenaar immers kunnen bewijzen dat hij wel heeft betaald. Daarom bepaalt de wet (art. 6:48 Burgerlijk Wetboek) dat de schuldeiser bij iedere voldoening verplicht is om aan de schuldenaar een ‘kwitantie’ af te geven. In deze casus is Bela de schuldenaar (zij moest de koopprijs voor de aandelen betalen) en Citadel de schuldeiser. Als schuldeiser heeft Citadel verklaard dat Bela de koopprijs heeft betaald. De stelling van Bela houdt een beroep op dat bewijs in. Maar er is wel tegenbewijs mogelijk. Partijen kunnen in een overeenkomst afspreken dat dit tegenbewijs niet mogelijk is (dat gebeurt vaak in een vaststellingsovereenkomst). Of partijen dat bedoeld hebben, moet worden vastgesteld door uitleg van de overeenkomst. Volgens de advocaat-generaal is dat in dit geval niet gebeurd. Citadel heeft de mogelijkheid om tegenbewijs te bieden tegen de kwijtingsbepaling, en daar is ze ook in geslaagd.

De Hoge Raad volgt het advies van de advocaat-generaal. Citadel had Bela weliswaar kwijting verleend van de koopprijs, maar ze had daarmee geen afstand gedaan van het recht om (na het ontdekken van haar vergissing) alsnog aanspraak te maken op het te weinig betaalde bedrag. Daarom vernietigt de Hoge Raad de uitspraak van het gerechtshof. Een ander gerechtshof moet nu de zaak opnieuw inhoudelijk beoordelen, maar het ziet ernaar uit dat Citadel haar dure vergissing kan herstellen.

Wat valt hieruit te leren?

Een kwijtingsbeding in een overeenkomst is niet meer en niet minder dan een bewijsbepaling, waarbij tegenbewijs mogelijk is. Het zou verkeerd zijn om uit deze uitspraak te concluderen dat het zinloos is om een kwijtingsbepaling in een overeenkomst op te nemen. Dat is en blijft zinvol, ook al is tegenbewijs door de schuldeiser mogelijk. Om tegenbewijs uit te sluiten zal er een vaststellingsovereenkomst gesloten moeten worden. Daarin leggen partijen ter vermijding van onzekerheid of ter beëindiging van een geschil bindend vast wat tussen hen geldt. Dat houdt ook stand als achteraf (net als hier) zou blijken dat er een vergissing is gemaakt. Het hangt sterk van de situatie af of dat wenselijk is. Zeker als de financiële belangen groot zijn, loont het de moeite om vakkundig advies in te winnen bij het formuleren van de overeenkomst. Inclusief de kwijtingsbepaling…