Opsteker voor verhuurder met pandrecht voor boedelvordering

17 maart 2015

In vrijwel elk faillissement is er te weinig actief om alle schuldeisers tevreden te stellen. Gewone (‘concurrente’) schuldeisers blijven meestal met lege handen achter. Schuldeisers met een ‘boedelvordering’ staan vóór hen in de rij. Dan zijn er de pand- en hypotheekhouders, die hun rechten kunnen uitoefenen alsof er geen faillissement is, terwijl de wet soms aan ‘bevoorrechte schuldeisers’ een voorrecht toekent dat zelfs voorrang heeft boven pand en hypotheek. En om het nog ingewikkelder te maken, kunnen deze verschillende hoedanigheden soms ook nog samenvallen.

In deze wirwar van verschillende categorieën schuldeisers heeft het Gerechtshof Amsterdam recent de positie van de verhuurder met een pandrecht verstevigd als dit pandrecht is gevestigd voor bepaalde boedelvorderingen van de verhuurder.

Bevoorrechte schuldeisers en het bodemvoorrecht van de fiscus

In faillissement behartigt de curator mede de belangen van de bevoorrechte schuldeisers. Dat is natuurlijk mooi, maar daar staat wel tegenover dat zij meebetalen aan de algemene faillissementskosten (waaronder het salaris van de curator).

De fiscus is ook zo’n bevoorrechte schuldeiser, als het voorrecht van de fiscus rust op bodemzaken (kort gezegd: machines en bedrijfsinventaris) en die zaken zich op het moment van de uitspraak van het faillissement op de bodem van de belastingplichtige bevinden.

Schuldeisers die een bezitloos pandrecht hebben op zulke bodemzaken, moeten bij het verhaal van hun vordering de fiscus laten voorgaan. Bij de uitoefening van het pandrecht op een bodemzaak moeten zij de opbrengst ervan afdragen aan de curator (die in deze immers de belangen van de fiscus als bevoorrechte crediteur behartigt).

Artikel 39 Faillissementswet

Bij het faillissement van een huurder kan zowel de curator als de verhuurder de huurovereenkomst tussentijds beëindigen met een opzegtermijn van (maximaal) drie maanden. De huurprijs is vanaf de faillissementsdatum een boedelschuld. Boedelschuldeisers hebben de hoogste voorrang en daarmee de meeste kans op een uitkering. Afwikkeling van hun vordering gaat geheel buiten de verificatie van de gewone (concurrente) schuldeisers om.

Hof Amsterdam

Onlangs heeft het Gerechtshof Amsterdam bepaald dat de regeling waarbij de curator de belangen van de bevoorrechte schuldeiser behartigt, niet geldt als de verhuurder/pandhouder zich op de executieopbrengst verhaalt voor haar boedelvordering ex artikel 39 Faillissementswet. Het betreft hier dus na faillissement ontstane huurvorderingen. Een boedelschuldeiser kan zich volgens het hof op de goederen van de failliet verhalen zonder rekening te houden met het faillissement. De curator kan niet verhinderen dat de verhuurder/pandhouder de boedelvordering ex artikel 39 Faillissementswet uitwint, ook niet door een voorrecht van een faillissementscrediteur geldend te maken. Het bodemvoorrecht van de fiscus betreft immers (in dit geval) uitsluitend (pre)faillissementsvorderingen en deze “concurreren” niet met boedelvorderingen, aldus het hof. Daaraan doet (zelfs) niet af dat dit mogelijk ten koste gaat van de vordering van de curator uit hoofde van zijn salaris.

Deze problematiek doet zich met name voor in de horeca waar de brouwerij behalve leverancier ook vaak verhuurder is. De verhuurder doet er in dat geval dus verstandig aan een pandrecht te vestigen (o.a. op roerende zaken) en daarbij de verpandingsbepaling zodanig (ruim) te formuleren dat deze ook geldt als zekerheid voor (toekomstige) boedelvorderingen uit hoofde van de huurrelatie. De verhuurder/pandhouder behoeft dan bij verhaal voor haar boedelvordering de fiscus (toch) niet te laten voorgaan.