Opzeggen V.O.F. door mondelinge verklaring vennoot

12 oktober 2018

Opzegging van een vof is alleen mogelijk indien de vennootschap voor onbepaalde tijd is aangegaan, tenzij partijen anders zijn overeengekomen. In de vennootschapsakte is vaak bepaald wanneer (in welke gevallen) de vof eindigt en op welke wijze een opzegging dient te geschieden. De Hoge Raad heeft zich recent uitgelaten over een geval waarbij één van de vennoten zich op het standpunt stelde dat de vof mondeling was opgezegd, terwijl in de vennootschapsakte was opgenomen dat opzegging schriftelijk of per deurwaardersexploot diende te gebeuren.

Wat was – kort samengevat – het geval?

De partijen zijn een vennootschap onder firma aangegaan om samen een onderneming te drijven in het repareren en slopen van auto’s. In de vennootschapsakte staat onder meer opgenomen dat de vennootschap eindigt drie maanden nadat één van de vennoten schriftelijk of bij deurwaardersexploot aan de andere vennoot te kennen geeft dat hij de vennootschap wil beëindigen. Daarnaast eindigt de vennootschap nadat de vennoot minimaal één jaar geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt is geweest. De samenwerking verloopt niet goed. Een van de vennoten laat in een telefoongesprek aan de advocaat van de andere vennoot geëmotioneerd weten dat hij de samenwerking per direct opzegt. Het hof komt vervolgens tot de conclusie dat de vof is geëindigd doordat de betreffende vennoot de samenwerking in niet voor misverstand vatbare bewoordingen heeft opgezegd.

Wilsvertrouwensleer

De Hoge Raad komt tot een andere conclusie. Of de telefonische uitlatingen van de eiser kunnen worden gekwalificeerd als een opzegging, moet worden beoordeeld aan de hand van uitleg op grond van art. 3:33 jo. 3:35 BW (de zogenoemde wilsvertrouwensleer), met inachtneming van alle omstandigheden van het geval. Daarbij komt het aan op de vraag of de andere vennoot de verklaring redelijkerwijs mocht opvatten als een opzegging van de vof. Behalve de duidelijke bewoordingen kunnen er andere omstandigheden zijn die maken dat de verklaring (toch) niet als opzegging mag worden opgevat. Dat was hier het geval. Zo verkeerde de opzeggende vennoot ten tijde van zijn uitlatingen in emotionele staat, had de opzegging zware financiële gevolgen en was daarna nog met medewerkers gesproken over een voortzetting van de samenwerking.

Vormvoorschrift

Daarnaast is de Hoge Raad van mening dat aan een vormvoorschrift (hier het schriftelijkheidsvereiste voor opzegging) niet zo maar voorbij kan worden gegaan. Dit omdat de partijen zo’n voorschrift juist opnemen ter voorkoming van discussies over de vraag of een mondelinge opzegging voldoende is. Ook deze omstandigheid is van belang bij de beantwoording van de vraag of de telefonische uitlatingen over de beëindiging van de samenwerking mogen worden opgevat als een opzegging. In (lagere) jurisprudentie is weliswaar geoordeeld dat dat een beroep op een vormvoorschrift onder omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn. Het hof had in dit geval echter volgens de Hoge Raad onvoldoende gemotiveerd waarom aan het schriftelijkheidsvereiste voorbij kon worden gegaan. De Hoge Raad verwijst de zaak vervolgens terug voor een verdere beoordeling.

Conclusie

De vraag of een (vof)contract kan worden opgezegd en op welke wijze dat moet gebeuren is vaak niet zwart-wit. Het hiervoor beschreven arrest van de Hoge Raad bewijst dat opnieuw. Het is belangrijk hier scherp op te zijn. Duidelijke en schriftelijk vastgelegde afspraken blijven daarbij belangrijk.