Verbod op dragen hoofddoek mag van Europees Hof

14 maart 2017

In een uitspraak van 14 maart jl. heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie beslist dat een werkgever regels mag stellen die het dragen van een hoofddoek op de werkplek verbieden. Daarbij gelden wel nadere voorwaarden. Als daaraan wordt voldaan, is een dergelijke regel niet in strijd met het verbod op discriminatie.

De feiten

In 2003 treedt mevrouw Achbita, een Belgische moslima, als receptioniste in dienst van G4S. In april 2006 laat zij aan G4S weten dat zij tijdens haar werktijden een islamitische hoofddoek zal gaan dragen. De werkgever antwoordt daarop dat het dragen van een hoofddoek niet zal worden getolereerd omdat het in strijd is met een binnen het bedrijf geldende regeling. Als de werkneemster toch met hoofddoek op het werk blijft verschijnen, wordt zij door G4S ontslagen. Zij vindt dat er sprake is van ongeoorloofde discriminatie en vecht het ontslag aan voor de Belgische rechter. De zaak komt uiteindelijk bij het Hof van Cassatie. Dat legt aan het Europees Hof de vraag voor of een verbod in een bedrijfsregeling om een islamitische hoofddoek te dragen, in strijd is met het discriminatieverbod van Richtlijn 2000/78/EG (die gaat over gelijke behandeling in arbeid en beroep).

De uitspraak van het Europees Hof

Het Europees Hof stelt voorop dat het gerechtvaardigd is dat een onderneming ten opzichte van haar klanten neutraliteit in acht wenst te nemen. Dit volgt uit de vrijheid van ondernemerschap, die beschermd wordt door het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Op grond van die vrijheid mag een onderneming beperkingen stellen aan het dragen van religieuze uitingen. Wel maakt de uitspraak van het Hof duidelijk dat er een aantal bijkomende voorwaarden gelden.

Nadere voorwaarden

Ten eerste moet de regeling voor alle medewerkers (en religies) gelden en voor ieder gelijk worden toegepast. Het Europees Hof stelt vast dat de regeling van G4S verwijst naar “het dragen van zichtbare tekenen van politieke, filosofische en religieuze overtuigingen” en dus zonder onderscheid geldt voor alle uitingen van dergelijke overtuigingen. De regel behandelt alle werknemers van G4S op dezelfde wijze. Het is ook niet gebleken dat G4S de regel ten opzichte van Achbita anders heeft toegepast dan bij andere werknemers.

De regeling mag niet verder gaan dan nodig is om de beoogde neutraliteit ten opzichte van klanten te waarborgen. Het is legitiem, aldus het Hof, dat een onderneming een dergelijke regeling instelt om ten aanzien van haar klanten neutraliteit in acht te nemen. Wel overweegt het Hof dat dit met name geldt wanneer daarbij alleen de werknemers worden betrokken die in contact treden met de klanten. Daaruit is dus af te leiden dat het anders kan liggen als het bedrijf het dragen van een hoofddoek zou verbieden aan een medewerker die niet met klanten in contact komt (denk bijvoorbeeld aan iemand die intern in een productieafdeling werkt).

Tot slot overweegt het Hof dat moet worden nagegaan of G4S de medewerkster een arbeidsplaats had kunnen aanbieden waarbij er geen visueel contact met de klanten bestond, in plaats van haar te ontslaan.

Conclusie

Als u in uw onderneming het dragen van politieke of religieuze uitingen aan banden wilt leggen, biedt deze uitspraak daarvoor een goede basis. Zorg er dan wel voor dat u daarvoor een zorgvuldig opgestelde regeling opstelt, deze op de juiste manier (in voorkomend geval in overleg met de ondernemingsraad) in uw bedrijf invoert en consequent toepast.



Bron foto: Designed by Freepik