Verrekening in faillissement

23 januari 2018

Wanneer een schuldenaar (die de bevoegdheid tot verrekening heeft), aan zijn schuldeiser verklaart dat hij zijn schuld met een vordering verrekent, gaan beide verbintenissen tot hun gemeenschappelijk beloop teniet (art. 6:127 BW). Indien de gegrondheid van dit verweer (de tegenvordering) niet op eenvoudige wijze is vast te stellen (bijvoorbeeld omdat de omvang van de tegenvordering nog niet duidelijk is), dan kan de rechter een vordering ondanks een beroep van de verweerder op verrekening toewijzen (art. 6:136 BW). In faillissement gelden evenwel bijzondere (soms ruimere) verrekeningsregels.

Ruime verrekeningsregel in faillissement

Het uitgangspunt in faillissement is dat degene die zowel schuldenaar als schuldeiser van de gefailleerde is, zijn schuld met zijn vordering op de gefailleerde kan verrekenen. Dit indien beide zijn ontstaan vóór de faillietverklaring of voortvloeien uit handelingen, vóór de faillietverklaring met de gefailleerde verricht art. 53 Fw). Voornoemde regel, dat de tegenvordering op eenvoudige wijze is vast te stellen, geldt niet in faillissement. De curator kan een tegenvordering dus niet afwijzen met een beroep op het feit dat de tegenvordering die wordt opgevoerd niet op eenvoudige wijze is vast te stellen. De gedachte daarachter is dat iedere schuldeiser van de boedel zijn schuld aan de boedel als een “onderpand” mag beschouwen voor de betaling van zijn vordering. Uiteraard moet die tegenvordering wel bestaan en de rechter zal daarover zo nodig een oordeel geven.

Hoge Raad: regel geldt ook bij verpanding of overdracht van de vordering

De Hoge Raad heeft recent nogmaals bevestigd dat het voorgaande ook geldt wanneer de vordering van de gefailleerde is verpand en de pandhouder (vaak een bank) tot inning van de vordering over gaat. Hetzelfde geldt wanneer de vordering door de curator aan een derde wordt overgedragen. Ook in die gevallen blijft de schuldenaar van gefailleerde er belang bij hebben om zijn schuld aan de boedel als onderpand te kunnen beschouwen voor de betaling van zijn tegenvordering. Hij kan dan zijn tegenvordering op de gefailleerde aan de pandhouder of koper van de vordering tegenwerpen. Overigens kunnen wel aanvullende eisen voor die verrekening gelden. Zo dient de tegenvordering onder omstandigheden opeisbaar te zijn en dient er voldoende samenhang te bestaan tussen (tegen)vordering en de schuld.

Wilt u meer informatie over dit onderwerp, neemt u dan contact op met:

mr. M.J. (Maarten) Blommaert