Verwarring rond de tweejaarstermijn in het arbeidsrecht

04 mei 2017

De termijn van twee jaar komt sinds de Wet Werk en Zekerheid op meerdere plaatsen in de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst voor. De formulering is niet steeds exact gelijk, wat gemakkelijk tot verwarring kan leiden. Niet alleen bij werkgevers en werknemers maar ook bij rechters, zoals uit enkele recente uitspraken blijkt.

Transitievergoeding: na exact 2 jaar

De wettelijke transitievergoeding is verschuldigd als de werkgever een arbeidsovereenkomst opzegt (of niet verlengt dan wel de ontbinding ervan verzoekt) die “ten minste 24 maanden heeft geduurd” (artikel 7:673 BW).

Je zou zeggen dat dat duidelijk is. Zodra het contract exact twee jaar geduurd heeft, moet de werkgever bij beëindiging de transitievergoeding betalen. Dus ook als hij besluit om na het tweede jaarcontract het dienstverband niet te verlengen. Toch oordeelden kantonrechters in Breda en Amsterdam anders. Zij beslisten dat uit de wet moet worden afgeleid dat de transitievergoeding pas verschuldigd is als het dienstverband langer dan twee jaar had geduurd.

Op die uitspraken beriep ook de werkgever in deze zaak zich. Bovendien haalde hij bepalingen in de wetsgeschiedenis aan, waaruit zou blijken dat ook volgens de wetgever de transitievergoeding pas geldt na meer dan twee jaar. Fout, aldus de kantonrechter Maastricht in heldere bewoordingen. “Het recht op een transitie­vergoeding ontstaat zodra de arbeidsovereenkomst 24 maanden of langer heeft geduurd. Dit volgt uit artikel 7:673, eerste lid, BW waarin is opgenomen dat de werkgever aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd is indien de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd.”

Zijn collega’s in Breda en Amsterdam hadden de wet verkeerd gelezen, vond hij. En de wetgever was door de advocaat van de werkgever bewust te selectief geciteerd. Dus kreeg de werkgever de kous op de kop en moest hij alsnog de (overigens bescheiden) transitievergoeding betalen. De Maastrichtse kantonrechter heeft het volkomen bij het rechte eind, naar mijn bescheiden mening. Bij twee achtereenvolgende jaarcontracten is het ‘prijs’. Voor wat betreft de transitievergoeding althans.

Omzetting van bepaalde naar onbepaalde tijd: na meer dan 2 jaar

De verwarring is wel begrijpelijk. Want bij een andere belangrijke regel gaat het juist wel om een periode van meer dan twee jaar. Namelijk bij arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd die elkaar opvolgen (met tussenpozen van niet meer dan 6 maanden) en samen meer dan 24 maanden duren. Vanaf dat moment geldt de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Dat is geregeld in artikel 7:668a BW. Hier geldt dus wel ‘meer dan twee jaar’.

Hoe zat dat trouwens ook alweer? U kunt met een werknemer drie contracten voor bepaalde tijd aangaan binnen maximaal twee jaar. Bij overschrijding van één van die twee factoren (meer dan drie contracten, of meer dan twee jaar) geldt de arbeidsovereenkomst vanaf de overschrijding voor onbepaalde tijd. (Afgezien van afwijkingen die in CAO’s kunnen staan).

Dan is er nog de regeling van de proeftijd

Een zelfde tweejaarstermijn is er ook bij de regeling van de proeftijd. Een proeftijd is niet mogelijk bij een arbeidsovereenkomst van zes maanden of korter. Bij een arbeidsovereenkomst die langer dan zes maanden duurt maar korter dan twee jaar, is een proeftijd van één maand toegestaan. Bij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van twee jaar of langer (en bij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd) mag een proeftijd van twee maanden worden afgesproken. Dat staat allemaal in artikel 7:652 BW.

Zo zit het dus. Bij twijfel altijd even vooraf checken. Dat is vele malen beter dan achteraf proberen recht te breien wat krom is.